Nog geen reacties

Een daggie op de meule

Het is zaterdag 12 november 1977. Andries van der Graaf heeft zijn vrije dag en vanmorgen heeft hij al uit het raam gekeken wat voor weer het is.
Het klopt wel een beetje met wat de radio zei;
“Matige tot krachtige westenwind met opklaringen en later een enkele bui.”

Korte tijd later zit hij op de fiets en peddelt de drie kilometer tussen Nieuwpoort en Goudriaan met een koude wind van opzij, naar de molen.
Halverwege kijkt hij even naar de Westermolen, die op de grens van Langerak staat. Hij staat er wat treurig bij, de oude slover. Zijn rieten onderhuis is gehavend en zijn zwart geteerde kop heeft ook z’n beste tijd gehad. Zo’n tien jaar geleden heeft het polderbestuur de molen al opgegeven. In de dertiger jaren werd zijn collega, de Oostermolen gesloopt, omdat de ingelanden van de polder meenden beter af te zijn met een motorgemaal. De molenaar ging de laan uit en de molenaar van de Westermolen werd tevens machinist. Andries kan zich de oude baas, Klaas de Groot, nog herinneren. In zijn gemaal zag het er keurig uit en al het koper dat maar gepoetst kon worden werd gepoetst. Het motortje liep als een “naaimachientje” en sloeg met het oude scheprad van de Oostermolen het water uit. Zestig jaar is hij molenaar geweest. Nee, helemaal machinist werd hij nooit. Als er wind was maalde hij liever met de molen dan dat hij het “machien” aanzette, hoewel dat veel makkelijker was. Hij had zo z’n eigen visie op “metoren” en deed het liever met de wind. Met zijn heldere blauwe ogen in zijn gerimpelde kop keek hij dan oplettende de lucht af. Nooit in die zestig jaar heeft de wind hem verrast. Altijd heeft hij de molen heel gehouden, iets waarvoor het polderbestuur vrijwel nooit enige dankbaarheid heeft getoond. Hij is ze er niet hard om gevallen.

De “stichting”, die nu eigenaar is zal, zoals het  er nu uitziet, de molen in 1979 restaureren. Vrijwilliger Fokke Meima zal er dankbaar om zijn. Hij zou wel eens tegen die van Goudriaan op willen malen, maar als je hem later vraagt “of ‘ie soms niet durfde bij dat blakke windje”, knijpt ‘ie bedenkelijk een oogje dicht en zegt: “Ik wou die ouwe dame maar heel houden tot ze goed onder handen is genomen. Dan zullen we wel eens zien.”

Bij zijn molen gekomen gaat Andries eerst even naar binnen om Gerrit gedag te zeggen. Gerrit is op de molen geboren en getogen. Tot 1971 heeft hij met de molen gemalen. Toen vond ook het bestuur van de polder Oud Goudriaan het nodig een elektrisch gemaaltje neer te zetten. Gerrit hoeft nu alleen nog maar in de gaten te houden of de polder op peil blijft. Is dat niet het geval dan zet hij, tijdens de “goedkope stroom”, het gemaal aan. De molen is zijn woning en als werktuig vindt hij die niet meer interessant. “Jij”, zegt ‘ie tegen Andries, “ziet alleen de leuke kant er maar van. Vroeger als er veel water in de polder was, moest er gemalen worden, soms drie dagen en nachten achtereen, dan kwam je niet uit de kleren. Als het dan nog hard regende en harde wind uit westelijke richtingen had moest je je soms drie keer per etmaal tot op je hemd laten natregenen terwijl je bij je huis stond. Voor mij hoeft het niet meer.”

Andries kruit de molen op de wind. “Toch die rollen eens smeren”, gaat het door hem heen als hij zich in het zweet staat te kruien. Hij weet dat de roeden, de as en het bovenwiel circa 15 ton wegen, maar de rest van de kap moet toch ongeveer wel net zo zwaar zijn.  Als de molen iets krimpend op de wind staat, legt hij er vier volle voor en trekt de vang op. Eerst langzaam maar allengs sneller pakt de wind de 110 vierkante meter zeil en fok. Met kracht slaat het scheprad het water uit de polder dat zich schuimend laat opnemen in de boezem. De molen is tot leven gekomen. Ze schudt en kreunt en de wieken zoeven door het vroege herfstzonnetje. Zittend op de kruibank luistert Andries naar de geluiden van het gaande werk en ziet de schaduwen van de wieken zich beurtelings aftekenen tegen de molenromp en zich verliezen in het polderland. Als de molenzeilen beginnen te klapperen weet hij, zonder naar de weerhaan van de kerktoren te kijken, dat de wind iets verder is gekrompen. Even vangen dan maar. Kruien is zwaar, maar krimpend kruien op het gaande wiel is niet te doen en bovendien levensgevaarlijk. “Wel oppassen jongen”, is de boodschap Een paar weken geleden is er nog een ernstig ongeluk gebeurd bij “De
Valk” in Schermerhorn. De molenaar liep het gras te maaien en moet even in gedachten ergens anders geweest zijn. Hij kreeg een klap. Heeft nog even geleefd maar is niet meer bij kennis geweest. Koppie d’r bij houden maar!

Nog even boven kijken. De reuzel in de lagers met de houten spaan bij elkaar krabben en opnieuw op z’n plaats smeren. Meteen de zolder maar even aanvegen.
Als je een paar dagen niet bent geweest en het hard heeft gewaaid sta je er altijd weer van te kijken hoeveel stof er op de roetzolder ligt. Er liggen vandaag trouwens ook weer braakballen van valken ook. Leuk dat die de molen weten te vinden om er in alle rust hun eten te kunnen laten verteren. Hun aantal neemt gelukkig weer toe.
Zo, nog even het luik van de achterkeuvelens eruit. Uitzien over een hoogte van 15 meter. Zuidoost het dorp met de oude kerk. Beneden het boezemland, waar in het voorjaar de zomerklokjes, kievits- en zwanenbloemen en de orchideën bloeien. Maar goed dat Staatsbosbeheer het in eigendom heeft en niemand er iets aan doen mag.
Echt een stukkie “blauwgrasland”dat, wonderlijk genoeg, alleen maar in deze staat blijft als de mens er met zijn vingers afblijft. Strooi je er kunstmest op, dan gaan alle bloemen dood. “Onkruid”, zeggen ze dan. Toch maar zo laten vindt Andries.

Gerrit scharrelt naar boven en roept dat de koffie ingeschonken staat. Beneden in het knusse kamertje heeft Gerrit dampende koffie in een boerenkop staan. “Lekker Gerrit, het is koud boven maar wel erg mooi.” Genietend wordt de koffie gedronken En de laatste nieuwtjes verteld. De Kleine Tienwegmolen in Streefkerk wordt gerestaureerd en schiet hard op. De roeden zijn al gestoken en meteen opgehekt.
Alleen het onderhuis moet nog opgeknapt worden. Als het zo door gaat is ‘ie dit jaar nog klaar. Gert Schep van de Stijve Molen heeft er een gang kammen uitgemalen dus die staat voorlopig stil. Hij kon er niets aan doen. Als er één of twee breken onder het malen gaat de hele gang eraan.
Tegen vijven, het donkert al, wordt de molen gevangenen  en uitgespannen. Net op tijd. Het laatste zeil is nog niet geklampt of het begint te gieten van de regen. “Zo”, glundert Andries, “ben ik je net effe voor anders waren de zeilen helemaal natgeregend”  De molen wordt weer west gekrooien en de staart goed vastgezet met krui- en bezetketting. Ook de roe voor de borst wordt met kettinge vastgelegd en de bliksemafleider wordt niet vergeten.

Andries gaat nog even naar binnen om Gerrit te bedanken en een goede zondag te wensen. Hij heeft de dynamo al op de band als hij weer naar Nieuwpoort fietst. Naar huis waar de snert wacht.

Andries van der Graaf

Reacties zijn gesloten.